Menu

De Deur in de Muur

door

Portret H. G. Wells

H. G. Wells

1906


I

Op een vertrouwelijke avond, nog geen drie maanden geleden, vertelde Lionel Wallace me zijn verhaal over de Deur in de Muur. En op dat moment dacht ik dat het wat hem betrof een waar gebeurd verhaal was.

Hij vertelde het me met een zo openhartige eenvoud en overtuiging, dat ik niet anders kon dan hem geloven. Maar toen ik de volgende ochtend in mijn eigen appartement, in een andere omgeving, wakker werd en liggend in bed terugdacht aan de dingen die hij mij verteld had, ontdaan van de betovering van zijn ernstige slepende stem, het getemperde licht van de tafellamp, de schimmige sfeer die hem omhulde en de aangename opzichtige dingen, het dessert, de glazen en het tafelkleed van de maaltijd die wij samen genoten hadden, die op dat moment een behaaglijk wereldje schiepen los van de alledaagse werkelijkheid, vond ik het eerlijk gezegd allemaal nogal ongeloofwaardig. “Hij hield me voor de gek!” zei ik en vervolgens: “Maar wat deed hij dat goed!....Hij is de laatste van wie ik verwacht zou hebben dat hij dat zo goed kon.”

Later, toen ik rechtop in bed zat en aan mijn kopje ochtendthee nipte, merkte ik dat ik een verklaring probeerde te vinden voor het vleugje werkelijkheid dat mij zo verbijsterd had in zijn onmogelijke herinneringen en veronderstelde dat ze op een of andere manier ervaringen deden vermoeden, aandroegen, overbrachten — ik weet eigenlijk niet hoe ik het moet verwoorden — die op geen enkele andere manier te vertellen waren.

Ach, nu neem ik niet meer mijn toevlucht tot die verklaring. De twijfels die mij steeds bekropen heb ik niet meer. Nu geloof ik, zoals ik dat ook geloofde toen hij het vertelde, dat Wallace echt zijn uiterste best deed om voor mij de waarheid aan zijn geheim te ontfutselen. Maar of hij zichzelf zag, of dacht dat hij dat deed, als iemand die eigenaar was van een onvoorstelbaar voorrecht, of het slachtoffer van een fantastische droom, durf ik niet te gissen. Zelfs de omstandigheden van zijn dood, die voor altijd een einde maakte aan mijn twijfels, werpen daar geen licht op. Daar moet de lezer zelf maar over oordelen.

Ik weet nu niet precies meer welke toevallige opmerking of aanmerking van mij, een zo gesloten man ertoe bracht mij in vertrouwen te nemen. Hij was zich, denk ik, aan het verdedigen tegen een verwijt van laksheid en onbetrouwbaarheid dat ik gemaakt had naar aanleiding van een belangrijke maatschappelijke ontwikkeling, waarin hij me teleurgesteld had. Maar opeens viel hij me in de rede. “Ik ben,” zei hij, “ergens door geobsedeerd—”

“Ik weet,” ging hij verder, na een pauze die hij besteedde aan het bestuderen van de askegel van zijn sigaar, “ik weet dat ik nalatig ben geweest. Het feit is — het is niet zoiets als spoken of verschijningen — maar — het is raar om daar iets over te vertellen, Redmond — ik ben bezeten. Ik ben ergens door geobsedeerd — iets dat in zekere zin de dingen hun licht ontneemt, iets dat mij met hunkering vervult….”

Hij pauzeerde, tegengehouden door die Engelse bedeesdheid, die ons zo vaak overvalt als we zouden willen praten over ontroerende, ernstige of prachtige dingen. “Jij zat al die tijd op Saint Athelstan,” zei hij en even leek mij dat geheel niet ter zake doende. “Nou”— en hij zweeg weer. Daarna begon hij, eerst aarzelend, maar daarna ongedwongener, te vertellen over wat hij in zijn leven had weggestopt, de steeds terugkerende herinnering aan een schoonheid en geluk die zijn hart vulde met een onverzadigbaar verlangen, waardoor alle belangrijke dingen en het schouwspel van het wereldse leven in zijn ogen saai, vervelend en onbeduidend leken.

Nu ik het begrijp, lijkt het duidelijk van zijn gezicht te lezen. Ik heb een foto waarop die onthechte blik gevangen en versterkt is. Dat doet met denken aan wat een vrouw ooit over hem zei — een vrouw die erg veel van hem gehouden had. “Opeens,” zei ze, “verliest hij elke belangstelling. Hij ziet je niet meer staan — pal onder zijn ogen….”

Toch was die belangstelling bij hem niet altijd afwezig en als hij zijn aandacht ergens op richtte zag Wallace de kans om een uiterst succesvol man te zijn. Zijn carrière is inderdaad een aaneenschakeling van successen. Hij liet mij lang geleden ver achter zich; hij steeg boven mij uit en maakte indruk op de wereld, iets wat mij hoe dan ook niet lukte. Het was een jaar vóór hij veertig zou worden en ze zeggen nu dat hij, als hij nog in leven was geweest, in de regering en zeer waarschijnlijk in het nieuwe kabinet had gezeten. Op school overtroefde hij me steeds met gemak — als het ware van nature. Vrijwel onze hele schooltijd zaten we samen op school op het Saint Athelstancollege in West Kensington. Hij kwam daar aan als mijn gelijke, maar steeg, in een uitbarsting van intelligentie en briljante prestaties, ver boven mij uit. Toch denk ik dat ik het er heel aardig van af bracht. En het was op school dat ik voor het eerst iets hoorde over de Deur in de Muur — dat ik voor de tweede keer pas een maand voor zijn dood zou horen.

Voor hem was de Deur in de Muur in ieder geval een echte deur die door een echte muur naar een onsterfelijke werkelijkheid leidde. Daar ben ik nu echt van overtuigd.

En het gebeurde al heel vroeg in zijn leven, toen hij nog maar een jongetje tussen de vijf en zes jaar was. Ik herinner me hoe hij met een lome ernst bij mij zijn bekentenis aflegde en de dag waarop het gebeurde beredeneerde en uitrekende. “Er was daar,” zei hij, “een karmozijnrode wilde wingerd — een stralend geheel van karmozijn in een helder geelrood zonlicht tegen een witte muur. Op een of andere manier, maar ik herinner me niet duidelijk hoe, voegde dat zich bij die indruk en er lagen kastanjebladeren op het schone trottoir, voor de groene deur. Ze waren geel en groen gevlekt, weet je, niet bruin of vies, zodat ze pas gevallen moesten zijn. Ik hou het erop dat dat oktober betekent. Elk jaar kijk ik uit naar kastanjebladeren en ik zou het dus moeten weten.

“Als ik me dus niet vergis was ik toen ongeveer vijf jaar en vier maanden.”

Hij was, zei hij, een nogal voorlijk jongetje — op een bijzonder jonge leeftijd leerde hij praten en was erg verstandig en “ouderwets” zoals mensen zeggen, wat hem een mate van ondernemingszin gaf, die de meeste kinderen amper op hun zevende of achtste bereiken. Zijn moeder stierf bij zijn geboorte en hij werd toevertrouwd aan de minder oplettende en dwingende zorg van een kinderjuffrouw. Zijn vader was een strenge, verstrooide advocaat, die weinig aandacht aan hem schonk en grote dingen van hem verwachtte. Met al zijn pienterheid vond hij het leven enigszins grijs en saai. En op een dag ging hij er op uit.

Hij kon zich niet de bijzondere onachtzaamheid herinneren waardoor hij er vandoor kon gaan en evenmin welke route hij gevolgd was in de straten van West Kensington. Dat was allemaal vervaagd in de ongeneeslijke wazen van het geheugen. Maar de witte muur en de groene deur stonden daar nog heel duidelijk pal overeind.

Volgens wat hij zich herinnerde van die verre kinderlijke ervaring, voelde hij bij de allereerste aanblik van die deur een bijzondere emotie, een aantrekkingskracht, een verlangen om naar die deur toe te lopen, open te maken en naar binnen te gaan. En tegelijkertijd was hij er heilig van overtuigd dat het onverstandig of verkeerd — hij kon niet zeggen wat van beiden — van hem zou zijn als hij daaraan toe zou geven. Hij benadrukte het als iets merkwaardigs dat hij vanaf het eerste begin — tenzij zijn geheugen hem een hele rare streek leverde — wist dat de deur niet gesloten was en hij als hij wilde naar binnen kon gaan.

Het lijkt alsof ik het beeld van dat aangetrokken en afgestoten jongetje voor me zie. En het was voor hem ook helemaal vanzelfsprekend, hoewel nooit duidelijk werd waarom dat zo was, dat zijn vader heel boos zou zijn als hij door die deur heen zou gaan.

Wallace gaf me een uiterst omstandige beschrijving van al die momenten van aarzeling. Hij liep recht voorbij de deur en slenterde daarna, met zijn handen in zijn zakken en terwijl hij een onbeholpen poging deed om te fluiten, verder tot voorbij het einde van de muur. Daar herinnert hij zich een paar armzalige smerige winkeltjes en in het bijzonder die van een loodgieter-stukadoor, met een stoffige warboel van gresbuizen, kleine loden balkranen, stalenboeken en verfblikken. Daar bleef hij staan alsof hij die dingen bestudeerde, terwijl hij hunkerde en hartstochtelijk naar de groene deur verlangde. Toen, zei hij, werd het hem opeens teveel. Hij stormde erop af, bang dat hij weer zou gaan aarzelen, liep regelrecht, met uitgestrekte arm door de groene deur en liet die achter zich dichtvallen. En in een oogwenk kwam hij terecht in de tuin die hem zijn leven lang achtervolgd heeft.

Het was heel moeilijk voor Wallace om mij zijn hele gevoel te beschrijven over de tuin waar hij in verzeild geraakt was. Er hing daar iets opwekkends in de lucht, iets dat iemand een gevoel gaf van lichtheid, van geluk en welbehagen; er was iets in de aanblik van de tuin waardoor alle kleuren zuiver, volmaakt en enigszins lichtgevend waren. Op het moment dat je daar binnenkwam werd je intens blij — zoals je in deze wereld alleen in sporadische momenten en als je jong en vrolijk bent, kunt zijn. En alles was daar prachtig….

Wallace dacht even na voor hij verder ging met zijn verhaal. “Weet je,” zei hij, met een aarzelende stembuiging van iemand die even zwijgt bij ongelofelijke dingen, “er waren daar twee grote panters….Ja, gevlekte panters. En ik was niet bang. Er liep een lang breed pad met aan weerszijden met marmer omzoomde bloembedden, en die twee enorme beesten waren daar met een bal aan het spelen. Een daarvan keek op en liep naar me toe, wat nieuwsgierig naar het leek. Hij kwam recht op me af, wreef met zijn zachte ronde oor heel voorzichtig over mijn uitgestoken handje en snorde. Het was, ik zweer het je, een betoverde tuin. Ik weet het. En hoe groot? O! die strekte zich lang en breed uit, naar de ene en de andere kant. Ik geloof dat er in de verte heuvels waren. God weet waar West Kensington opeens gebleven was. En op een of andere manier was het net als weer thuiskomen.

“Weet je, op het moment dat de deur achter mij dichtsloeg, vergat ik de straat met de gevallen kastanjebladeren, de rijtuigen en de karren van de kooplui, ik vergat die soort zwaartekrachtachtige trekkracht, terug naar de tucht en gehoorzaamheid van thuis, ik vergat alle aarzelingen en angsten, vergat behoedzaamheid, vergat de hele vertrouwde werkelijkheid van dit leven. In een enkel moment werd ik een heel blij en wonderlijk gelukkig jongetje — in een andere wereld. Het was een wereld met een heel andere hoedanigheid, een warmer, doordringender en zachter licht, met een haast waarneembare heldere blijheid in de lucht en zonomrande wolkenslierten in het blauw van de lucht daar. En voor me uit liep dat lange brede pad, uitnodigend, met aan weerszijden bloembedden zonder onkruid en die twee grote panters. Zonder angst legde ik mijn handjes op hun zachte vacht en streelde hun ronde oren en de gevoelige plekken onder hun oren en het was alsof zij mij welkom thuis heetten. Er was een intens gevoel van thuiskomen in mijn hoofd en toen er opeens een groot mooi meisje op het pad opdook en mij glimlachend tegemoet liep, ‘En?’ tegen me zei, me optilde en kuste en me weer neerzette en mij aan de hand meenam, was er geen verbazing, maar alleen een heerlijk gevoel dat het goed was, een gevoel van herinnerd worden aan gelukkige dingen die op een of andere merkwaardige manier altijd over het hoofd waren gezien. Er was een brede trap, herinner ik me, die in het zicht kwam tussen de bloemtoortsen van de riddersporen door en toen we die opgelopen waren, kwamen we in een laan tussen heel oude en schaduwrijke donkere bomen. Weet je, langs die hele laan, tussen de rode gebarsten stammen, stonden marmeren tronen en beeldhouwwerk, en hele tamme en vriendelijke witte duiven….

“Mijn vriendin nam me mee langs die laan, terwijl ze omlaag keek — ik herinner me nog de aangename trekken, de fijngevormde kin van haar prachtige vriendelijke gezicht — stelde ze me vragen met een zachte en aardige stem en vertelde me van alles, plezierige dingen weet ik nog, maar waarover precies heb ik nooit meer kunnen terughalen…. En toen kwam er een smetteloos kapucijnaapje, met een roodachtig bruine vacht, vanuit een boom naar beneden en naar ons toe en rende naast me, keek naar me omhoog en grijnsde en sprong toen op mijn schouder. Zo liepen we heel gelukkig verder......”

Hij zweeg.

“Ga verder,” zei ik.

“Ik herinner me kleine dingen. We liepen langs een oude man die tussen laurierbomen zat te mijmeren, herinner ik me, en een plek die opgevrolijkt werd door parkieten, en we liepen door een brede, schaduwrijke zuilengalerij naar een uitgestrekt, koel paleis, vol mooie fonteinen, vol prachtige dingen, vol al het goede en alle beloften die een hart zich maar kan wensen. En er waren veel dingen en veel mensen, sommige die mij nog helder voor de geest lijken te staan en andere die wat vaag zijn geworden, maar al die mensen waren prachtig en aardig. Op een of andere manier — ik weet niet hoe — werd mij duidelijk gemaakt dat ze me allemaal mochten, blij waren dat ze me bij zich hadden en ze vervulden me met blijheid door hun gebaren, door de manier waarop ze mij met hun handen aanraakten en door de verwelkoming en de liefde in hun ogen. Ja —”

Hij dacht even na. “Speelkameraadjes vond ik daar. Dat betekende zoveel voor me, want ik was een eenzaam jongetje. Ze speelden heerlijke spelletjes in een met gras bedekte binnenplaats, waar een zonnewijzer stond omringd door bloemen. En spelen is van elkaar houden….

“Maar — het is vreemd — er zit een hiaat in mijn geheugen. Ik herinner me niet meer welke spelletjes we speelden. Ik heb ze nooit meer kunnen terughalen. Later, als kind, heb ik vele uren, zelfs in tranen, geprobeerd me dat soort geluk weer voor de geest te halen. Ik wilde het allemaal overspelen — in mijn kinderkamer — met mijzelf. Nee! Het enige dat ik mij herinner is het geluk en twee lieve speelkameraadjes die meestal bij me waren….Toen kwam er een sombere, duistere mevrouw, met een ernstig, bleek gezicht en dromerige ogen, die een boek bij zich had en me wenkte, mij alleen meenam naar een galerij boven een zaal — hoewel mijn speelkameraadjes mij niet wilden laten gaan, ophielden met hun spel en toekeken toen ik meegenomen werd. ‘Kom terug!’ riepen ze, “Kom weer gauw bij ons terug!’ Ik keek omhoog naar haar gezicht, maar ze sloeg helemaal geen acht op hen. Haar gezicht was heel vriendelijk en ernstig. Ze nam me mee naar een stoel op de galerij en ik stond naast haar, klaar om naar haar boek te kijken dat ze opensloeg op haar knie. De bladzijden vielen open. Ze wees en ik keek en verbaasde me want op de levende bladzijden van dat boek zag ik mijzelf; het was een verhaal over mij en daarin stonden alle dingen die met mij gebeurd waren, vanaf mijn geboorte…..

“Ik vond het prachtig, want de bladzijden van dat boek waren geen prenten, begrijp je, maar echte dingen.”

Wallace zweeg, met een ernstige blik — hij keek me weifelend aan.

“Ga door,” zei ik. “Ik begrijp het.”


Complete tekst op:
verbodengeschriften.nl

Naar boven

Menu